'Prenataal' betekent 'voor de geboorte'; een screening is een onderzoek door middel van een test. Prenatale screening is onderzoek tijdens de zwangerschap om te beoordelen of het ongeboren kind een verhoogde kans heeft op een aangeboren afwijking.
Prenatale screening bestaat uit kansbepaling. Alle screeningstesten berekenen de kans dat je kind een aangeboren aandoening zou kunnen hebben. Dat wil dus zeggen dat de testen niet met zekerheid kunnen vaststellen of je kind een aandoening heeft, maar dat zij alleen maar een indruk kunnen geven of je kind een verhoogde kans heeft op een bepaalde aandoening. Als uit de test blijkt dat deze kans verhoogd is, kom je in aanmerking voor verder onderzoek. Dit vervolgonderzoek wordt prenatale diagnostiek genoemd (zie kopje 'Prenatale diagnostiek').

Wie komt in aanmerking voor prenatale screening?

Alle zwangere vrouwen kunnen vragen om een prenatale screening. Zo'n screening staat los van je leeftijd, je gezondheid en de vraag of er erfelijke en/of aangeboren aandoeningen in je eigen familie of die van je partner voorkomen. Dit is anders dan bij prenatale diagnostiek: ben je 36 jaar of ouder en 18 weken of langer zwanger, heb je een bepaalde ziekte waarbij een verhoogde kans bestaat op aangeboren afwijkingen zoals bijvoorbeeld suikerziekte of komt er in je familie of in die van je partner een erfelijke en/of aangeboren aandoening voor, dan kun je ook in aanmerking komen voor prenatale diagnostiek (zie kopje 'Prenatale diagnostiek').

Welke testen zijn er mogelijk bij prenatale screening?

Voor prenatale screening bestaan er verschillende testen:

  • De combinatietest: een combinatie van de nekplooimeting en de vroege bloedtest, wordt gedaan bij een zwangerschapsduur van 9-14 weken.
  • Standaard echoscopisch onderzoek, wordt gedaan bij een zwangerschapsduur van 18-22 weken (zie kopje ‘Echoscopie’)